Het is volop zomer en er zijn overal collega’s op vakantie. Vanwege de elk jaar groeiende personeelsproblemen zijn de zomermaanden strakker gepland dan ooit tevoren. Er mag niemand ziek worden of besluiten ontslag te nemen. En laat dat dan juist toch gebeuren.
Gaten in het rooster veroorzaken veel druk voor de collega’s die doorwerken. Als de nood aan de man is worden er concessies gedaan zoals langere diensten of erg veel dagen achter elkaar werken. Zorg gaat immers altijd door. Flexkrachten geven lucht. Maar voor de cliënten zijn al die vreemde gezichten niet fijn en leveren ze soms spanning op.
Vanmorgen was ik aan het flexen. Ergens waar ik nog niet heel vaak geweest was. Rond half tien had iedereen ontbeten en zijn bezigheden binnen of buitenshuis. Behalve Bea.
De aanwezige vaste collega had gezegd dat ik haar vanzelf wel zou zien verschijnen. Bea had niets op haar programma staan dus er was helemaal geen haast. Rond elf uur ging ik toch maar even bij haar kijken.
Bea lag met haar hoofd onder haar dekbed. Ze was wakker, maar had zo te zien geen behoefte om uit bed komen. Ik nam naast haar plaats op de bedrand en voelde dat het beddengoed nat was.
‘Hoi Bea.’
Ze trok haar dekbed een stukje omlaag en er verscheen een bos grijs haar en daarna een rond gezicht met grote bruine ogen.
‘Wie ben jij?’
‘Ik ben Alida. Ik werk vandaag bij jullie. Kom je uit bed?’
‘Ik ben nat.’
‘Ja, dat heb ik gemerkt, maar dat geeft niet.’
‘Kan gebeuren, hè?’
‘Ja, dat kan gebeuren. Kom maar, dan help ik je even.’
‘Kan gebeuren, komt goed, hè?’
‘Ja, komt goed.’
Ze kwam overeind en schoorvoetend liep ze mee naar haar badkamer.
‘Komt goed, we gaan er een leuke dag van maken.’ Haar stem sloeg een beetje over en ze wreef haar handen over elkaar.
‘Gaan we zeker doen.’
Ik hielp haar met het uitdoen van haar natte pyjama en met douchen. Ondertussen herhaalde ze onafgebroken dat het een leuke dag zou worden.
Tijdens het afdrogen zag ik een aarzelend, gespannen lachje. Ik dacht wat opluchting te zien. Douchen was klaar, de eerste hindernis van de dag was genomen.
‘Bea, alles komt goed, toch?’
Handenwringend zei ze: ‘Ja. Leuke dag van maken.’
‘Ben je misschien bang dat het eigenlijk helemaal niet leuk wordt vandaag.’
Ik zag haar verstarren en na een korte stilte zei ze: ‘Ja. Eigenlijk wel.’
‘Het is niet fijn hé, al die inval, mensen die jou niet kennen.’
‘Nee, eigenlijk niet.’
Ik legde de handdoek weg en zei: ‘Ik weet niet alles heel precies, maar ik ga vandaag mijn best doen om jou goed te helpen, oké? En als ik iets niet goed doe, dan mag je het tegen mij zeggen. Dan werken we een beetje samen vandaag.’
Plotseling brak er een brede glimlach door. ‘En dan komt alles goed.’
‘Ja, dan komt alles goed.’