In het Kempische Eersel waar ik opgroeide was er binnen de grote Katholieke gezinnen vaak sprake van een kind met beperkingen. Een zogenaamd ‘ongelukkig kindje’. Zo’n ongelukkig kindje woonde soms thuis, maar vaker niet.
In Eersel had je bijvoorbeeld huize St Joseph. Het stond midden in het dorp. Regelmatig zag ik verpleegkundigen wandelen met de -soms al behoorlijk volwassen- ongelukkige kindjes. Ik vroeg mij altijd af of ze echt ongelukkig waren, dat was niet echt goed te zien, de meesten leken mij best vrolijk te zijn.
In mijn privé situatie heb ik ook te maken met een ongelukkig kindje: mijn schoonzusje van 58. Afgelopen weekend trof ik haar op een verjaardag.
Ze heeft hersenletsel opgelopen tijdens haar geboorte en is redelijk zelfstandig zolang alles normaal verloopt. Gaan er dingen mis, dan is daar plotseling een klein meisje dat hulp nodig heeft. En die hulp krijgt ze. Voorheen van haar ouders, nu grotendeels van haar zus en broers en sinds een jaar of acht van begeleiders van de kleinschalige instelling waar ze woont.
Ik plofte naast haar op de bank om bij te praten.
‘Hoe gaat het?’
‘Goed hoor. Vorige week was ik mee op vriendenweekend in de Ardennen. Het was heel gezellig, we hebben lekker weer gehad. Beter dan nu, dit is niks.’
We zaten buiten en ze hield op haar smartphone scherp de weersvoorspellingen in de gaten. Er stond een stevige wind, de zon kwam en ging en ze had het koud.
Af en toe keek ze met een diepe frons naar de lucht: ‘Stomme wind, je waait steeds de wolken voor de zon.’
Ik vroeg hoe het met haar gezondheid ging, nog maar een paar weken geleden had ze last van een longontsteking.
‘Ik ben helemaal opgeknapt en nu ben ik bezig met mijn conditie, ik ga op de hometrainer en als de leiding tijd heeft gaan ze met me wandelen op donderdagavond. Oja, trouwens, de naailes op donderdag gaat tóch door na september. Het was heel duur geworden en daar heeft de lerares iets van gezegd. Nu moet ik wel naar een ander adres, maar dat geeft niet.’
‘Fijn zeg.’
‘‘Ja, dus dan heb ik weer wat te doen op de donderdagen, nu heb ik niks.’
Die middag maakte ze met iedereen contact, at vol smaak van de barbecue en hield tegelijkertijd het weer in de gaten.
Tijdens een flinke windvlaag dook ze onder een fleecedekentje en probeerde tevergeefs te voorkomen dat de wind er niet onder sloeg. ‘Potverdorie, stomme wind!’
Direct werd ze ingestopt door de vrouwen links en rechts van haar.
‘Koukleum’, lachte een van hen.
Ze reageerde laconiek: ‘Ja, dat ben ik!’’
Een koukleum, maar verder allesbehalve ongelukkig.