Makayla had daardoor tot haar dertiende flinke communicatieproblemen met haar ouders gehad. Die hadden geen idee van wat er precies in hun dochter omging. Inmiddels was ze veertien en had geleerd zich te uiten door letters aan te wijzen op een letterbord. En wat bleek, Makayla was een hele intelligente gesprekspartner, humoristisch, zelfbewust en juist heel creatief met taal.

De documentaire was ontroerend en vooral herkenbaar omdat we in direct contact met anderen voornamelijk gesproken taal gebruiken, iets wat binnen de gehandicaptenzorg niet voldoende is.

Binnen ons werk moeten we steeds naar de non-verbale communicatie kijken om onze cliënten zo goed mogelijk te begrijpen: lichaamstaal, gezichtsuitdrukking. Dingen aan laten wijzen, jezelf letterlijk mee laten nemen naar een voorwerp, een plek, een foto. Gedrag als communicatie zien. Iemand kan bijvoorbeeld een dringende vraag hebben, maar die niet stellen.

Dat laatste is typisch Tim. Tim kan praten, maar heeft Tim autisme en communiceert vanwege sociale angst heel indirect. Iets rechtstreeks vragen durft en kan hij niet.

Een paar maanden geleden hing hij ’s avonds steeds in de keuken rond. Niets voor hem, hij verblijft het liefste op zijn kamer. Steeds als ik in de keuken was, was Tim daar ook, wat rommelend met wat enveloppen op het aanrecht. Ik sprak hem aan: ‘Alles goed?’

‘Ja, ja. Alles goed, ja.’ Hij dook een beetje weg, keek naar beneden.

‘Is er iets?’

‘Nee.’ Hij vertrok, maar was binnen vijf minuten weer terug.

‘Hier ligt post!’ Met zijn handen hield hij het stapeltje omhoog.

‘Ja, klopt. Ik moet dat nog opruimen.’

Hij fronste, legde de enveloppen terug en liep naar zijn kamer.

Even later was hij weer terug en herschikte het stapeltje.

Ik hield op met het inruimen van de vaatwasser. Er was kennelijk iets met de post aan de hand.

‘Wat is er met de post, Tim?’

‘Niks hoor.’

En toen ineens zag ik een paarse enveloppe van het bevolkingsonderzoek darmkanker. Tim weet wat dat betekent. Ontlasting opvangen, medisch gedoe waar hij een beetje bang voor is. Hij kan lezen en zijn naam stond er niet op. Toch leek hij er niet helemaal gerust op.

Ik hield hem omhoog. ‘Wil je hier iets over vragen?’

Hij verstarde.

‘Dit is niet voor jou.’

‘Nee?’

‘Nee.’

‘Oké!’ Zichtbaar opgelucht verliet hij de keuken.

Ook voor een client die kan praten geldt vaak: je hoort mij, maar versta je mij ook?

Maar ach, geldt dat niet voor ons allemaal? 

Scroll to Top