We kijken de hele dag naar onze cliënten; wat ze doen, wanneer ze het doen, en doen ze het goed? Vooral dat laatste. Soms moeten we ogen in ons achterhoofd hebben, soms kijken we vanaf een afstand over hun schouder mee. Maar dan is er nog zoiets als intuïtie. Zeker bij mensen met een verstandelijke beperking moet je niet alleen zien. Je moet vooral ook voelen.

Neem bijvoorbeeld Jack. Een brok onrust en nogal aanwezig binnen de groep. Wanneer er een rustige sfeer heerst gaat hij stennis schoppen. Het eten is nooit lekker en reden tot klagen. Als er een open podium is wil hij een liedje zingen en daarna honderd keer horen dat hij de beste was. Als je hem verzorgt moppert hij op collega’s en zegt dat die alles verkeerd doen. Als er iemand bezoek krijgt eist hij de aandacht op van de visite. Als iemand iets krijgt kraakt hij het kadootje af, en: hij wil altijd bepalen op welke zender de televisie staat.

Jack is dagelijks onderwerp van gesprek onder collega’s. Hij is een levend voorbeeld van dat negatieve aandacht, ook aandacht is. Er is altijd wel wat aan de hand en aanspreken helpt niet, dat lijkt het allemaal juist te verergeren.

Maar laten we eens goed kijken naar Jack zonder te veel details prijs te geven.

Hij heeft zijn biologische ouders nooit gekend en heeft op heel veel verschillende plekken gewoond. Hij heeft een laag zelfbeeld en moeite met vertrouwen. Hij heeft plotseling fysiek veel in moeten leveren, en is daardoor afhankelijk van anderen geworden. Je zou kunnen zeggen dat Jack op meerdere fronten behoorlijk beschadigd is. Allemaal niet benijdenswaardig.

Vorige week was huisgenoot Pieter behoorlijk gespannen, iets wat vaak aan tafel escaleert. Niet in de laatste plaats doordat Jack precies weet wat hij moet doen om Pieter te laten ontploffen. Voor het eten nam ik hem daarom even apart.

‘Hé Jack. Wil je mij helpen tijdens het eten?’

‘Hoezo?’

‘Nou, Pieter heeft last van stress. Het zou heel fijn zijn als het rustig is aan tafel en dat we zo min mogelijk praten. En, misschien kun je Pieter wat dingen aangeven dan hoeft hij daar niet om te vragen. Dat zou superfijn zijn.’

Jack begon te stralen. ‘Ja, natuurlijk help ik jou.’

Aan tafel doet Jack zijn uiterste best om Pieter te ontzien. Ondertussen kijkt hij steeds naar mij, ik knipoog bevestigend. Hij is zichtbaar trots.

Misschien komt dit overdreven of kinderachtig over. Jack is een volwassen man en zo bijzonder is het allemaal niet.

 Maar mijn derde oog weet: Hij heeft het zo ontzettend nodig om gezien te worden.

Scroll to Top