Afgelopen week had ik een zakelijke afspraak in een eetcafé waar we bediend werden door mensen met een verstandelijke beperking.
Een plaats waar ik graag afspreek. Na binnenkomst keek mijn afspraak bedenkelijk rond. Ik begreep hem wel een beetje. Het was erg druk. Achter de bar stonden begeleiders die de boel in goede banen moesten leiden, iets wat zichtbaar moeite kostte, er werd gefronst en gewezen. Ik zag zweetdruppels en rode wangen. Het zag er chaotisch uit.
‘Bent u hier al eerder geweest?’
‘Ja, ik kom hier regelmatig, het eten is hier best lekker.’
Zonder succes probeerden we de aandacht te trekken van de bediening en mijn afspraak vroeg: ‘Zal ik naar de bar lopen om te bestellen?’
Ik keek naar de verhitte hoofden van de jongens en meiden van de bediening. Het leek me beter om rustig af te wachten, dus dat deden we. Best een tijdje. En om ons heen werd het almaar drukker.
Er bewoog zich een meisje tussen de tafels dat lege borden en glazen op een dienblad plaatste. Ze keek niemand aan en voerde heel geconcentreerd haar taak uit. Alles aan haar houding zei: Niet storen.
Mijn tafelgenoot hield het echter niet langer en hij sprak haar aan.
‘Zeg, kunnen wij iets te drinken bestellen?’
‘Iets drinken,’ herhaalde ze. Ze keek richting de bar, maar daar viel weinig hulp van te verwachten.
‘Ja, ik lust wel een koffie, en wat lust u?’
Ik bestelde een tonic.
Het meisje knikte nauwelijks zichtbaar en liep naar de volgende tafel.
‘Dit komt zo natuurlijk helemaal niet goed.’
Het dienblad van het meisje was vol en ze liep richting de bar.
‘Geef het een kans,’ zei ik.
‘Eigenlijk zijn wij nu de dagbesteding van deze mensen, of niet?
‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik voel me een beetje onderdeel van een of ander project.’
Over zijn schouder zag ik het meisje terugkomen met onze bestelling.
‘Voor hen is dit werk.’
‘Werk?’ Hij keek op zijn horloge. ‘We zitten al meer dan een half uur te wachten.’
‘Het is druk, ze kunnen niet iedereen tegelijkertijd bedienen. Dat is toch net zoals op elke andere horecaplek?’
De koffie werd op tafel gezet. De tonic volgde.
‘Dankjewel,’ zei ik. Het meisje knikte opnieuw. Direct daarna ging ze verder met het ophalen van glaswerk.
Terwijl ze wegliep, kon ik het niet laten om verder in te gaan op zijn opmerkingen.
‘Wat is eigenlijk voor u de diepere betekenis van werk?’
‘Hoezo?’
‘Wat maakt dat werk ook echt waardevol is?’
‘Poeh, wat een vraag… Dingen als ontplooiing, waardering, van betekenis zijn.’
‘Juist. En daarom is wat u dagbesteding noemt, voor dit meisje een baan.’